Bossen, heidevelden, landgoederen, boomgaarden, weiden en veenplassen maken Utrecht tot een ‘landschappelijke spiegel van Nederland’. De basis voor het landschap werd gelegd in de voorlaatste ijstijd toen het landijs de bodem tientallen meters opstuwde, de huidige Utrechtse Heuvelrug. Het westelijk deel van de provincie heeft met zijn weiden en veenplassen een meer ‘Hollands’ karakter.
Verspreid over de provincie liggen talrijke natuurgebieden die variëren van zandverstuivingen tot moerassen en van bossen tot natuurlijke uiterwaarden. De binnenstad van Amersfoort is rijk aan historische monumenten, lommerrijke grachten, onverwachte hofjes en aantrekkelijke musea. Ook Amerongen, Wijk bij Duurstede, IJsselstein en Oudewater zijn aantrekkelijke stadjes met een lang verleden. De vele kastelen en ridderhofsteden herinneren aan de bewogen geschiedenis van Utrecht.
Dit artikel is verschenen in TopCamper21, maart 2021
De A1 verbindt de Randstad met het ‘verre’ Twente. Als je eenmaal de Sallandse Heuvelrug bent overgestoken, rijd je het groene, zacht glooiende landschap van Twente binnen. Rond grote steden als Almelo, Enschede, Hengelo en Oldenzaal liggen kleine dorpen en gehuchten te midden van het karakteristieke coulissenlandschap waardoor het riviertje de Dinkel al kronkelend een weg zoekt.
Twente werd jarenlang geassocieerd met de textielindustrie. Onder leiding van de Engelse ingenieur Thomas Ainsworth werd in 1836 in Nijverdal de eerste katoenfabriek in gebruik genomen. Langzamerhand breidde de textielindustrie zich over heel Twente uit. In het kielzog van de textielnijverheid volgden andere industrieën. In de jaren 70 van de vorige eeuw kreeg de Twentse textiel zware klappen en sloot de ene textielfabriek na de andere. Veel fabrieksgebouwen werden gesloopt, andere kregen als industrieel monument een andere functie. Twente heeft mooie landschappen. Vooral in Noordoost-Twente tref je nog veel landgoederen aan van rijke textielbaronnen, de eigenaren van de grote textielfabrieken.
Garnwerd, Sauwerd, Usquert, Aduard… Veel plaatsnamen in Noord-Groningen eindigen op ‘werd’, ‘uert’ of ‘uard’ en herinneren aan de wierden die hier ooit werden opgeworpen. Het landschap bestaat uit vriendelijke dorpen, kronkelende maren (waterlopen), zeedijken, molens en prachtige middeleeuwse kerkje. Een landschap om van te houden.
De geschiedenis van Noord-Groningen wordt bepaald door de strijd van de bewoners tegen de zee. De eerste Groningers vestigden zich op de hoog opgeslibde kwelders, legden akkers aan en gebruikten de natte en lage gronden voor hun vee. Ze beschermden zich tegen de oprukkende zee door verhogingen (wierden) op te werpen, waarop zij hun boerderijen bouwden.
Garnwerd aan Zee
De haven van Garnwerd
We starten onze verkenningstocht door Noord-Groningen in het kleine wierdedorp Garnwerd. Het dorpje, 18 kilometer ten noorden van Groningen-stad, ligt aan het Reitdiep, van oudsher de vaarverbinding tussen Groningen en Zoutkamp. Aan het water ligt Garnwerd aan Zee. Aan zee ligt de uitspanning niet, de naam is een eerbetoon aan het verleden toen het Reitdiep nog verbonden was met de Waddenzee en druk bevaren werd door handels- en vissersschepen op weg nar Groningen. Garnwerd ligt, zoals de naam al verraadt, op een wierde. Het ‘smalste straatje van Nederland’, zoals het 3 meter brede pittoreske straatje in elke reisgids wordt genoemd, leidt naar de 13de-eeuwse Hervormde kerk. De molen bij het water maakt de dorpsidylle compleet.
Ziekenzaal in voormalig klooster van Aduard
Van Garnwerd rijden we over smalle binnenwegen naar Aduard. Het passeren van tegenliggers levert geen problemen op, je ziet ze van verre aankomen en er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden. Van de vele tientallen kloosters die ooit in Groningen stonden, zijn nauwelijks sporen terug te vinden. In een van de oudste huizen van het dorp Aduard is het kleine museum St.-Bernardushof gevestigd. In het museum krijg je een indruk van de macht en omvang van het klooster. Een enthousiaste museumgids neemt je mee naar de voormalige 13de-eeuwse ziekenzaal van het klooster – nu een kerk.
Houten kent een lange geschiedenis. Bij de Hervormde kerk aan de brink (nu Plein) zijn restanten gevonden van een oude Romeinse villa (boerderij). Tot ver in de 20ste eeuw was Houten een klein dorp onder de rook van Utrecht. In 1966 werd het dorp aangewezen als groeikern om de snelgroeiende bevolking van Utrecht te kunnen opvangen. De bevolking groeide van 8.000 begin jaren ’70 van de vorige eeuw tot 48.000 in 2016.
Het moderne Houten kent drie centra met winkels en horecagelegenheden: Het moderne stadscentrum bij Het Rond, het nieuwe Castellum in Houten-Zuid en het kleinschalige oude dorp met terrassen en winkels aan het plein tussen de twee kerken.
Hardinxveld is een van de oudste nederzettingen in de Alblasserwaard. Het dorp otstond aan de monding van het veenriviertje de Giessen in de Merwede. Giessendam ontstond later rond een dam in de Giessen. In 1957 werden beide dorpen samengevoegd tot Hardinxveld-Giessendam.
Bij de aanleg van de Betuwelijn in 1997 werd een 7500 jaar oud skelet van een vrouw – die al snel de toepasselijke naam Trijntje kreeg – en een even oude boomstamkano gevonden. In allerijl spoedden archeologen vanuit Leiden zich naar de vindplaats. Uit onderzoek bleek dat Trijntje ongeveer vijftig jaar was toen ze overleed, verschillende kinderen had gekregen en in goede gezondheid verkeerde. Haar tanden waren sterk afgesleten door het eten van ruw voedsel of het met de tanden bewerken van dierenhuiden. Een reconstructie van Trijntje is te zien in het plaatselijke museum De Koperen Knop.
Het plaatsnaambord vermeldt Driebergen-Rijsenburg maar iedereen spreekt over Driebergen. Rijsenburg was tot 1931 een zelfstandige gemeente die als enclave nagenoeg ingesloten was door het grotere dorp Driebergen. Tot 2006 vormden beide dorpen samen de gemeente Driebergen-Rijsenburg die toen ging in de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
In 1818 werd Rijsenburg losgemaakt van Driebergen. Op een kaart uit de Gemeente-Atlas van Nederland uit 1868 zijn de langgerekte gemeentegrenzen duidelijk te zien. De gemeente strekte zich uit van de Langbroekerweg tot de Arnhemsebovenweg met de huidige Rijsenburgseweg als centrale as. Onder de kaart staat ‘218 bunder (hectare), 315 inwoners’. Driebergen was 2417 bunder groot en telde 1817 inwoners.
Wamel, Beneden- en Boven-Leeuwen liggen als een 8 km lang lint langs de zuidelijke oever van de Waal. Tot 1900 gingen de katholieken uit de dorpen naar de kerk van Boven-Leeuwen, maar in dat jaar werd de nieuwe RK-kerk in Benedeneind – van het huidige Beneden-Leeuwen was nog geen sprake – ingewijd. Benedeneind groeide uit Beneden-Leeuwen.
De naam Leeuwen is afgeleid van het Germaanse woord ‘hlaiwa’ dat grafheuvel betekent. En ‘beneden’ staat voor ‘beneden aan de rivier’ ofwel stroomafwaarts. De Zandstraat, de drukke winkelstraat die dwars door het dorp loopt van oost naar west, is al heel oud. In 2002 werden bij opgravingen sporen van een oude Romeinse nederzetting teruggevonden.
Tussendorp
Aan deze straat liet pastoor Van Weert in 1898 de nieuwe kerk in neoromaanse stijl bouwen. Een statige kerk die een slagje te groot lijkt voor het huidige dorp. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lag Beneden-Leeuwen in de frontlinie. In de voorgevel van de kerk kun je de schietgaten als gevolg van de Duitse beschietingen nog zien. Na de bouw van de kerk maakte het ‘tussendorp’ een onstuimige groei door en overtrof al snel in grootte de beide buurdorpen. De oude historische bebouwing langs de Zandstraat en andere hoofdstraten is uit het straatbeeld verdwenen en vervangen door nieuwbouw. De kerk, het oude gemeentehuis en de korenmolen De Wielewaal zijn als herinneringen aan het oude dorp behouden gebleven.
Tweestromenland
Stijlkamer Streek Historisch Museum
Tweestromenland
RK kerk
Beneden-Leeuwen ligt in het Land van Maas en Waal, de regio ten westen van Nijmegen ingeklemd tussen de rivieren de Maas en Waal en met het Kanaal van St.-Andries als oostelijke begrenzing. Het Streek Historisch Museum Tweestromenland is gehuisvest in het voormalig klooster St.-Elisabethgasthuis, waar franciscanessen zich wijdden aan zieken en kleuters. Het is dé plek om je te informeren over de geschiedenis van het dorp, te beginnen met de mammoet in de tuinzaal. Verder vind je er stijlkamers en oude ambachten. Probeer aan te sluiten bij een rondleiding door een van de vrijwilligers die met veel passie vertellen over de voorwerpen die in de zalen staan. Vol trots laat een van hen het henkelmannetje zien, het etensketeltje dat kinderen naar hun vader in de steenfabriek brachten.
Het dankbare Leeuwen
Vanaf de Zandstraat loopt de Dijkstraat naar de Waalbandijk. De geschiedenis van het dorp wordt gedomineerd door de strijd tegen het water. Op 1 februari 1861 brak bij de Klef de Waalbandijk door, wat een catastrofale overstroming van het Land van Maas en Waal tot gevolg had en verslagenheid teweegbracht in heel Nederland. Het dorp had 37 doden te betreuren. Koning Willem III bracht een bezoek aan het rampgebied. Ter herinnering aan zijn bezoek werd op de plek waar de koning voet aan wal zette een gedenkteken geplaatst. Het Watersnoodmonument staat wat verloren langs de dijk en bestaat uit een zuil op een sokkel met op de voorzijde het opschrift: ‘Aan Koning Willem den Derde en Hoogstdeszelfs Broeder Prins Hendrik. Het dankbare Leeuwen-12 Mei 1874’.
Kraanbaan
Tegenover het monument staat De Klef, het voormalig pakhuis van de Noord-Brabantse Coöperatieve Boerenbond (NCB). Boeren uit de omgeving konden er terecht voor poot- en zaadgoed, steenkool en zaken als afrasteringen, gereedschappen en dergelijke. De karakteristieke Kraanbaan, de stalen goederen-loopkraan tussen het magazijn en de laad- en losplaats voor binnenvaartschepen, bepaalde lange tijd de skyline van Beneden-Leeuwen. De Prins Willem-Alexanderbrug fungeert nu als blikvanger van het dorp. Iets verder ‘beneden aan de dijk’ herinnert ook De Wiel aan een eerdere dijkdoorbraak.
Terug in het dorp start tegenover de kerk het Lauwsepad, een 14 km lang klompenpad door het buitengebied van Beneden-Leeuwen.
Aan de Provincialeweg N320 ligt ter hoogte van Ommeren op het landgoed den Eng het Streekmuseum Baron van Brakell. De baron was een bijzonder man. Daarover waren zijn tijdgenoten het eens. Een militaire loopbaan lag voor de hand voor een man van zijn stand, maar een ‘ongemak aan den voet’ weerhield hem daarvan. Hij werd boer, of liever landbouwpionier.
Van Brakell (1768-1852) was niet alleen zijn tijd vooruit in het boerenbedrijf, maar ook in de omgang met zijn pachters. De baron en zijn vrouw bewoonden Huize Den Eng. Het huidige huis, schuin tegenover het museum, staat op de plek van het in de Tweede Wereldoorlog verwoeste oorspronkelijke landhuis. Het echtpaar kreeg geen kinderen en liet al zijn geld na aan een fonds voor de behoeftigen in Meerten, een buurtschap ten zuiden van Lienden. Ook de bouw van het nieuwe museum werd uit de nalatenschap bekostigd.
De Betuwe zoals het was
Stijlkamer in het streekmuseum
Het streekmuseum geeft een aardig beeld van het wonen en werken in de West-Betuwe in vroegere tijden. Rond een plein hebben de bakker, klompenmaker, schoenmaker, slijter en drukker hun winkels en werkplaatsen. Landbouw en vooral fruitteelt was (en is nog steeds) belangrijk in de Betuwe. In de overige zalen zie je landbouwmachines en gereedschappen. In de kelder staat een imposante collectie boerenwagens die vroeger in het Rivierengebied werden gebruikt. Met enkele handelingen konden deze wagens als waren het moderne MPV’s gebruikt worden voor het vervoer van graan, personen en soms voor begrafenissen. Voor het mooiste onderdeel moet je door de knieën: de rijkversierde voor- en achterhamels.
Grafeiland
Geldersch Landschap en Kasteelen beheert het landgoed den Eng. Bij de receptie van het museum ligt een folder met een bomenlijst aan de hand waarvan je door het bosplantsoen, ook wel door Van Brakelle de ‘wandeling’ genoemd, wandelt. In het bos stond op een heuveltje zijn kerkje. In de vijver direct achter het museum ligt een eilandje, waar Van Brakell en zijn vrouw liggen begraven. Achter de vijver ligt nog een heuveltje, waar zijn paarden werden begraven. Dieper het bos in ligt een klein hertenkamp.
Lienden
Het spandoek ‘Dames en heren, eet meer appels en peren’ brengt ons maar Natuurlijk Gruun, een boerenwinkel en appelcafé waar de Gruunse Appeltaart wacht. Dan is het tijd voor een wandeling. Aan de voorzijde van het museum start het Batouwepad, een 16 kilometer lang klompenpad door het buitengebied van Lienden. Het pad brengt ons naar Lienden. Het eerste deel loopt door een appelboomgaard waar de roodgekleurde appels je in de hoogzomer toelachen. Een pure Betuwe-ervaring.
Op weg naar Lienden
Wie naar Lienden loopt, ziet vanuit de verte al de stoere toren van de dorpskerk in het landschap oprijzen. De toren doet bijna grootstedelijk aan. Het koor is het oudste deel van de kerk; het schip en de toren dateren uit de 15de eeuw. In de loop der eeuwen is er veel aan de kerk verbouwd, de laatste grote restauratie vond plaats in 1975-1982. Ook de tweede toren van Lienden, molen De Zwaan aan de Molenstraat, kun je nauwelijks missen. De molen werd in 1644 gebouwd op een belt (verhoging) om zo meer wind te kunnen vangen. Het huidige Lienden is uit twee dorpen ontstaan: Lienden en Meerten. Beide dorpen zijn in de loop van de tijd aan elkaar gegroeid. Vanaf de Markt, het hart van het dorp, waaieren de oude wegen naar alle richtingen uit. Een tweede centrum ligt aan het einde van de Dorpsstraat rond het café Het Wapen van Lienden en het oude statige gemeentehuis. Via de Baron van Brakellweg wandelen we terug naar het museum dat met trots zijn naam draagt.
Beesd is een dorp met een rijke geschiedenis die teruggaat tot de middeleeuwen. Het dorp had een kleine haven aan de Linge, een rivier die niet alleen voor welvaart zorgde, maar ook onheil en ellende bracht. Dankzij de ligging aan de Linge, destijds een belangrijke vaarweg waarvan schepen met handelswaar van en naar de stad Tiel veelvuldig gebruikt maakten. Al heel vroeg waren de landerijen en dorpspolders voorzien van dijken en kaden.
Huis aan de Voorstraat
‘Met steenen bevloerde straat
De huizen staan er naast en tegenover elkander, langs eene met steenen bevloerde straat, hetwelk men op geen ander dorp in den omtrek aantreft, waardoor dan ook het gevoelen bevestigd wordt, dat Beest oorspronkelijk tot eene stad aangelegd is’,
Zo beschreef de letterkundige Abraham Jacob van der Aa (1792-1857) Beesd in zijn Aardrijkskundig Woordenboek.
Drie straten en een kerk
Met de ‘met steenen bevloerde straat’ bedoelde Van de Aa de huidige Voorstraat. Deze vormt met zijn beplanting van geschoren lindebomen een voor het rivierengebied zeer karakteristiek dorpsbeeld. Samen met de achterliggende Midden- en Achterstraat vormen deze drie straten het centrum van het dorp. Ter hoogte van de Hervormde kerk verbreedt de Voorstraat zich tot een klein dorpsplein. Over de robuuste toren van de kerk schreef Van de Aa in lyrische woorden dat deze een ‘grootte stad tot sieraad zou verstrekken’. Het 19de-eeuwse Beesd had stedelijke allures. De kerk werd in 1825 tot op de grond toe afgebroken en vervangen door het huidige gebouw. De toren, gebouwd rond 1500, gebruikten de dorpsbewoners als vluchtplaats wanneer de rivier de Linge buiten haar oevers trad.
Voorstraat
Voorstraat, Beesd
Het Dorpsplein vormt het startpunt voor een wandeling door Beesd. De Voorstraat maakt door de ruime opzet met brede stoepen en aan weerszijden van de straat geplante lindebomen, een voorname indruk. Hier woonden vroeger boeren, ambachtslieden, ambtenaren en bestuurders en kleine middenstanders. De Hoogstraat herinnert aan het 14de-eeuwse kasteel Huis te Beest ook wel het Hooge Huys genoemd. Het gebouw aan de Achterstraat, dat nu nog de naam Hoge Huis draagt, was een bijgebouw. Op de terp staat een monumentale schuur uit 1901. Naast Het Hooge Huys telde Beesd nog twee andere versterkte huizen: het Lage Huys en het Blauwe Huys. Ook deze huizen zijn uit het dorpsbeeld verdwenen. De Middenstraat loopt tussen de Voor- en Achterstraat naar de Havendijk waar je tussen de huizen door zicht hebt op de Linge. Bij de kruising met de Voorstraat loopt een kort straatje naar de rivier.
De Vrijheid
De Molendijk loopt door een landelijke omgeving naar de molen De Vrijheid, een ronde stenen korenmolen. Op de plaats van De Vrijheid stond al sinds de 14e eeuw een molen die onder de abdij Mariënweerd viel. Het exacte bouwjaar van de huidige molen is onbekend, maar ligt ergens in de 18e eeuw. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden met de molen seinen gegeven aan het verzet. Bij de restauratie in 1968 heeft de tot dan toe naamloze molen zijn huidige naam “De Vrijheid” gekregen, als herinnering hieraan.
Mariënwaerdt
Vanaf de Havendijk is het een half uurtje wandelen naar de Heerlijkheid Mariënwaerdt, de eigentijdse naam voor Mariënwaard. Het landhuis staat op de plaats van de vroegere norbertijnenabdij Mariënweerd. De abdij werd gesticht in 1129. Tijdens de beeldenstorm (1566-67) legden troepen van Hendrik Brederode uit Vianen Mariënweerd in de as en roofden vele kostbaarheden . Het klooster was nu onbewoonbaar geworden. De abt en zijn kloosterlingen weken uit naar Culemborg. In 1734 liet Frederik Boeleman, graaf van Bylandt, een huis bouwen dat aan het einde van de 18de eeuw verbouwd werd tot het huidige Mariënwaerdt. Bij de Imkerij kun je een van de wandelingen over het landgoed oppikken.
Via de Voorstraat loop je langs de neogotische RK Kruisverheffingskerk (1877), een ontwerp van de Utrechtse architect Alfred Tepe, en Het Nut (1867), ooit spaarbank en bewaarschool, terug naar het Dorpsplein. En dan is het tijd voor een kopje thee of koffie met appeltaart in de fraaie tuin van Theetuin De Wensput (gesloten in 2025)
Ter voorbereiding op een nieuwe aflevering in de serie Steden en dorpen in het Rivierengebied naar Ameide ‘gereisd’. Zeven kilometer Lekafwaarts na Lexmond ligt Ameide. Zoals in zovele dorpen tussen de grote rivieren heerst hier een zondagsrust, maar café ’t Wapen van Ameide trotseert deze zondagsheiliging en is gewoon open. Ameide werd in 1672 overrompeld door de Franse troepen, geplunderd en grotendeels verwoest. Alleen kerk en stadhuis bleven gespaard. Op de huizen rond de Dam (sloot de Broeksestroom af van de Lek) en de Voorstraat prijken talrijke blauwwitte schildjes: gemeentelijk monument. Voetveer De Overkant zet ’s zomers in Ameide fietsers en wandelaars naar de overkant van de Lek naar Lopik. Dan verandert Ameide in een bruisend stadje, zelfs op zondag.